Pensioen en rentegevoeligheid

Onlangs kwam het Centraal Planbureau met een Policy Brief over pensioen en rentegevoeligheid. Door de aanhoudende daling van de marktrente wordt de rentegevoeligheid als een groeiend probleem ervaren. Zo zien we bijvoorbeeld dat pensioenfondsen moeten korten en verzekeraars hoge kosten in rekening brengen voor rentegarantie. In de Policy Brief wordt ingegaan op de verschillende soorten pensioenregelingen, het toezicht op pensioenfondsen en het beleggingsbeleid.

Pensioenregelingen

De rentegevoeligheid van pensioen is duidelijker zichtbaar in de uitkeringsovereenkomst dan in de premieovereenkomst. Een uitkeringsovereenkomst biedt de deelnemer in de opbouwfase bescherming tegen renterisico, doordat de opbouw in beginsel vast is. Afhankelijk van de pensioenuitvoerder; een pensioenfonds of een verzekeraar is deze opbouw ook echt vast. De jaarlijkse aanpassing van de aanspraken is bij een pensioenfonds immers afhankelijk van de dekkingsgraad, die gevoelig is voor de rente. Een verzekeraar kan de pensioenuitkering niet verlagen. De rentegevoeligheid is bij een pensioenfonds afhankelijk van het beleggingsbeleid en de mate van renteafdekking. In een premieovereenkomst krijgen deelnemers niet direct een aanspraak op een toekomstige uitkering. In een premieovereenkomst is vaak geregeld dat een jongere deelnemer voornamelijk in zakelijke waarden zoals aandelen belegd. Naarmate een deelnemer ouder wordt zal het beleggingsrisico worden afgebouwd. Bij het naderen van de pensioendatum zal de oudere deelnemer vooral in vastrentende waarden beleggen. Op pensioendatum wordt het kapitaal omgezet in een levenslang ouderdomspensioen met eventueel een partnerpensioen. De rente op pensioendatum is bepalend voor het omzetten in een uitkering en heeft grote invloed op de uiteindelijke hoogte van de uitkering. Onlangs heeft de Eerste Kamer ingestemd met de Wet Verbeterde premieregeling, waarmee doorbeleggen na pensioendatum mogelijk is geworden. De deelnemer kan dan op meerdere momenten (een deel van het) kapitaal omzetten in een uitkering. Dit zal de rentegevoeligheid maar in beperkte mate verminderen. Tijdens de uitkeringsfase wordt immers vooral belegd in vastrentende waarden, om te voorkomen dat de uitkering te onzeker wordt.

De rente werkt ook op verschillende wijzen door in de premie in de verschillende contracten. Bij uitkeringsovereenkomsten met een vaste opbouw werken veranderingen in de kostprijs van pensioen door in de premie. In de praktijk is de doorwerking bij pensioenfondsen beperkt als gevolg van demping. Bij verzekeraars wordt vaak gerekend met de actuele rente of kostenopslagen gerelateerd aan de actuele rente, waardoor de stijging van de premie vaak hoger is dan bij een fonds. Bij premieovereenkomsten is de beschikbare premie vast en komen veranderingen in de kostprijs van pensioen alleen tot uiting in de risicopremies.

 

 

 

Toezicht

Naast de type pensioenregeling en het contract speelt ook het wettelijke kader voor toezicht een rol in de rentegevoeligheid. Het financieel toetsingskader (FTK) bepaalt welke rekenrente (discontovoet) fondsen met een uitkeringsovereenkomst moeten hanteren hun toekomstige verplichtingen te waarderen. Het kader gaat uit van een geleidelijke verwerking van financiële schokken. Zolang een pensioenfonds zich in reservetekort bevindt en de dekkingsgraad onder het vereiste eigen vermogen ligt, moet het fonds elk jaar opnieuw aantonen dat het vanaf dat moment kan herstellen in een periode van maximaal tien jaar. Pensioenfondsen krijgen dus telkens een nieuwe periode van tien jaar om te herstellen. Daarnaast is de maatstaf van de financiële positie gebaseerd op een 12-maands gemiddelde van de dekkingsgraad. Dit is de zogenoemde beleidsdekkingsgraad. Door het spreiden van schokken en de middeling van de dekkingsgraad worden de pensioenuitkeringen minder afhankelijk van de rente op 1 bepaald moment.

Een verdere verlenging van de spreidingsduur geeft stabielere uitkeringen, maar ook een meer volatiele dekkingsgraad. Een zeer lage dekkingsgraad zou deelname aan het fonds kunnen ontmoedigen, of het draagvlak voor de verplichtstelling kunnen schaden. Dit stelt grenzen aan de mate van spreiding.

Beleggingsbeleid

Meerdere pensioenfondsen verwachtten in de afgelopen jaren dat de rente, na de forse daling, binnen korte tijd weer zou gaan stijgen. Vooral bij de huidige lage rente ontstaat het idee dat de bodem is bereikt. Veel pensioenfondsen zijn rendement misgelopen, doordat zij te vroeg dachten dat de rente weer zou gaan stijgen (zie Rapport DNB over financiële positie pensioenfondsen van 20-05-2016). Weinig renteafdekking levert alleen iets op als de rente snel stijgt. Bij een langdurig lage rente biedt beleggen in langlopende obligaties meer rendement dan beleggen in kortlopende obligaties.

Volgens het CPB wegen de argumenten voor afdekking van renterisico wegen zwaarder dan de argumenten tegen. Beleggingsrisico nemen en renterisico in ruime mate afdekken levert in de simulaties goede resultaten.

Conclusie

Door de aanhoudende lage rente lijkt een structurele wijziging van de pensioenopbouw nodig. Het CPB stelt voor om de wijziging van de kostprijs van pensioen deels neer te laten slaan in de opbouwfase en deels in de uitkeringsfase. Kortdurende fluctuaties van de rente kan men gedempt laten doorwerken in premies en/of uitkeringen, maar structurele veranderingen moeten aangepakt worden.

Over Kim Brands-Rijlaarsdam

ing. Kim Brands-Rijlaarsdam Bec MPLA heeft bedrijfseconomie gestudeerd en is sinds 2007 werkzaam als pensioenspecialist. Bij Akkermans & Partners heeft zij haar Master in Pensions and Life Assurance behaald. Haar dagelijkse werk bestaat met name uit het adviseren van werkgevers op fiscaal, civiel-juridisch en verzekeringstechnisch gebied. Daarnaast schrijft zij artikelen voor Onderneming+Pensioen, OndernemingsRaad+Pensioen en Human Resource+Pensioen.

Bekijk alle artikelen op pensioenweblog van Kim Brands-Rijlaarsdam

Reageer op dit bericht

Uw e-mail adres wordt niet op de site getoond.