Professionals

Bestuurder is aansprakelijk voor de niet betaalde pensioenpremie, vermeerderd met rente en kosten. Totaal ruim 1 miljoen euro.

Wat was er aan de hand?
Inbartère BV was van 4 september 2008 tot 1 november 2011 indirect bestuurder van de Tilburgse Huizencentrale B.V. (hierna de vennootschap). Naar aanleiding van een bedrijfsactiviteiten onderzoek in 2010 bij de vennootschap, heeft het Bedrijfstakpensioenfonds voor vlees, vleeswaren, gemaksvoeding en pluimveevlees (hierna Bpf) aangegeven dat de vennootschap onder haar werkingssfeer valt en verplicht is zich aan te sluiten bij het Bpf.

De vennootschap heeft tegen de inschrijving bij brief van 31 maart 2011 bezwaar gemaakt. Zij geeft onder andere in haar brief aan dat zij lid is van de NBBU en die cao toepast en dat de cao voorziet in een pensioenregeling bij Bpf StiPP. Ook geeft zij o.a. aan dat haar prijsstelling niet gebaseerd is op de pensioenregeling bij het Bpf, hetgeen zal leiden tot een deconfiture van de onderneming. Zij verzoekt dan ook de inschrijving terug te draaien.

Op 3 februari 2012 ontvangt de vennootschap een factuur voor een bedrag van € 893.524,29 ter zake van verschuldigde premiebijdragen over 2010. De premiebetaling blijft echter uit. Ook nadat een dwangbevel was uitgevaardigd en de kantonrechter het door de vennootschap ingestelde verzet ongegrond heeft verklaard, bleef betaling uit.

Bij vonnis van 2 juli 2013 is de vennootschap in staat van faillissement verklaard. Het Bpf heeft vervolgens Inbartère als voormalig bestuurder aansprakelijk gesteld voor de pensioenschuld. Toen ook deze weigerde tot betaling over te gaan heeft het Bpf een dwangbevel uit laten gaan voor de verschuldigde premie, vermeerderd met rente en kosten. Totaal ruim 1 miljoen euro. Tegen het dwangbevel is Inbartère in verzet gegaan.

De kantonrechter
Bij het thans bestreden vonnis heeft de kantonrechter het dwangbevel slechts buiten effect gesteld voor zover aan buitengerechtelijke kosten meer was gevorderd dan € 6.775,- en aangegeven dat de betalingsverplichting van Inbartère uit hoofde van het dwangbevel hoofdelijk is met die van de andere aansprakelijke bestuurders. De kantonrecht heeft overwogen dat de vennootschap de betalingsonmacht destijds niet heeft gemeld, hetgeen meebrengt dat vermoed wordt dat de niet-tijdige betaling aan Inbartère is te wijten en dat Inbartère te weinig heeft gesteld om dit vermoeden te weerleggen.

Hoger beroep
Inbartère voert twee grieven aan. De eerste is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de mededeling bij brief van 31 maart 2011 niet kan worden aangemerkt als een melding van betalingsonmacht als bedoeld in artikel 23 lid 4 Wet Bpf. Volgens Inbartère kan ieder weldenkend mens begrijpen dat als een partij schrijft dat handhaving van de inschrijving leidt tot een deconfiture, dit betekent dat er niet betaald kan worden. Ook stelt Inbartère dat de pensioenuitvoerder van het Bpf en Bpf StiPP dezelfde zijn en zij wisten dat de premie voor het Bpf aanzienlijk hoger was dan die voor Bpf StiPP, en wel zodanig hoog dat deze onbetaalbaar zijn als de werknemers niet zelf premie betalen en dit in de uurtarieven kan worden doorberekend. Volgens Inbartère had bij de vraag of een mededeling als voldoende kan worden beschouwd ingeval van twijfel de balans ten gunste van de vennootschap moeten doorslaan. Bij twijfel had het Bpf volgens Inbartère navraag moeten doen. Aan het vereiste van een ‘onverwijlde’ mededeling zou zijn voldaan. Inbartère is dan ook van mening dat zij aan de voorwaarden van artikel 23 lid 4 Wet Bpf heeft voldaan. 

Volgens het hof kan gelet op het doel van de melding (ervoor zorgen dat het Bpf zo spoedig mogelijk op de hoogte is van de betalingsproblemen, zodat zij daarop kan inspelen, bijvoorbeeld door het treffen van een betalingsregeling) niet worden aanvaard dat nimmer van een geldige melding sprake kan zijn, als de hoogte van de pensioenbijdrage waarop de melding ziet, nog niet definitief vast staat. Dat neemt volgens het hof echter niet weg dat een vroegtijdige melding alleen dan als melding in de zin van artikel 23 Wet Bpf kan worden aanvaard, als hieruit duidelijk blijkt dat gelet op de te verwachtte hoogte van de betalingsverplichting, (tijdige) betaling van die bijdrage is uitgesloten. De melding dient in ieder geval volgens het hof ook dan te zijn voorzien in een deugdelijke, op de situatie toegespitste, onderbouwing van de omstandigheden, waarom (tijdige) betaling niet mogelijk is. Dit volgt uit artikel 2, lid 3 van het Besluit waarin is bepaald dat bij de mededeling van betalingsonmacht inzicht wordt gegeven in de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de bijdrage niet kan worden betaald. De enkele (algemene) mededeling dat bij de prijsstelling geen rekening is gehouden met de pensioenregeling is volgens het hof volstrekt onvoldoende. Het mag zo zijn dat geen enkele onderneming he top lange termijn zou kunnen volhouden, indien de kosten (waaronder de pensioenpremie) en de baten (de prijstelling) niet met elkaar in overeenstemming zijn, maar dat hoeft volgens het Hof niet zonder meer te gelden voor een (relatief) korte disbalans tussen inkomsten en uitgaven. Volgens het hof geeft de brief van 31 maart 2011 geen enkel inzicht in de financiële positie van de vennootschap. Daar komt bij dat de brief volgens het hof ook niet geschreven was als een melding van betalingsonmacht. In de aanhef was volgens het hof niet vermeld dat het ging om een melding betalingsonmacht of iets van dien aard, maar was aangegeven dat het onderwerp van de brief de inschrijving betrof. Gegeven die omstandigheden alsmede de inhoud van de brief hoefde het Bpf volgens het hof niet te begrijpen dat de vennootschap ook bedoelde een melding van betalingsonmacht te doen. Het Bpf was ook niet gehouden daarnaar navraag te doen. Dat de pensioenuitvoerder bekend is met gegevens van de vennootschap, maakt dit niet anders.

De tweede grief is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat Inbartère onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld ter weerlegging van het vermoeden dat de non-betaling aan haar te wijten is. Inbartère stelt dat zij voldoende heeft aangegeven waarom de premies niet konden worden betaald: de werkgeverspremie van het Bpf was veel hoger dan bij StiPP, het werknemersdeel van de premie kon niet meer bij de werknemers verhaald worden, de uitleentarieven stonden vast, er was geen sprake van kwaad opzet, of onbehoorlijk bestuur, maar een onoplettende medewerker zou niet hebben gezien dat de norm voor de aansluiting bij het Bpf in de loop van 2010 werd overschreden. Het hof gaat echter mee in het oordeel van de rechter dat Inbartère onvoldoende heeft gesteld om het bewijsvermoeden te ontkrachtten. Hetgeen Inbartère heeft gesteld is volgens het hof daartoe onvoldoende. Dit geldt volgens het hof te meer omdat vast staat dat de vennootschap niets heeft betaald, zelfs niet de premie die zij terug had ontvangen van StiPP. Inbartère heeft volgens het hof niets gesteld dat erop duidt dat zij er alles aan gedaan heeft om zeker te stellen dat het Bpf (voor zoveel mogelijk) zou worden betaald, terwijl zij evenmin heeft aangetoond dat de vennootschap tot geen enkele betaling in staat was. Daar komt bij dat het Bpf gemotiveerd heeft betwist dat kwaad opzet ontbrak. Het hof bekrachtigd dan ook het vonnis van de kantonrechter. Gerechtshof Den Haag, 14 februari 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:197.

 

Over Maaike Theunis

Maaike Theunis is in 2011 arbeids- en sociaalrechtelijk afgestudeerd aan de Universiteit van Tilburg. Tijdens haar studie heeft ze extra verdiepende cursussen gevolgd in het kader van het tweejarig topklasprogramma van de Universiteit van Tilburg. Uiteraard heeft ze Pensioenrecht als keuzevak gedaan. Na 2 stages bij ‘algemene’ advocatenkantoren heeft ze bewust voor een niche kantoor gekozen. Sinds november 2012 is zij als juridisch medewerkster werkzaam bij Gommer & Partners en vanaf februari 2015 werkzaam als advocaat.

Bekijk alle artikelen op pensioenweblog van Maaike Theunis

Reageer op dit bericht

Uw e-mail adres wordt niet op de site getoond.