Professionals

Verschuiving van de aanvangsleeftijd van de pensioenopbouw is niet strijdig met artikel 1 van het eerst protocol bij het EVRM en het verbod van discriminatie

De SVB heeft op 7 april 2014 aan appellant (geboren in 1954) een pensioenoverzicht toegezonden, waarbij is aangegeven voor welke perioden appellant voor de AOW is verzekerd en wanneer appellant de AOW-leeftijd bereikt (in 2020).

SVB heeft bij de vaststelling van het pensioenoverzicht artikel 7a van de AOW toegepast, zoals dat artikel toen luidde. Artikel 7a AOW is ingevolge de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd met ingang van 1 januari 2013 ingevoegd in de AOW, als gevolg waarvan de aanvangsleeftijd van de pensioenopbouw en de pensioengerechtigde leeftijd stapsgewijs zijn verhoogd.

Voor appellant betekende dit dat in 2020 zijn aanvangsleeftijd 16 jaar en 3 maanden is en dat de pensioengerechtigde leeftijd 66 jaar en 3 maanden is. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de verschuiving van de aanvangsleeftijd en de verhoging van de AOW-leeftijd. SVB en de Rechtbank hebben het bezwaar/beroep van appellant ongegrond verklaard.

Standpunt appellant
In hoger beroep voert appellant aan dat hij in 2003 naar Frankrijk is geëmigreerd en dat hij destijds geen rekening kon houden met de verhoging van de aanvangsleeftijd en de ingangsdatum van de AOW. Ten tijde van zijn emigratie gold een opbouwperiode van de AOW op de leeftijd van 15 jaar en eindigde deze op de datum van de emigratie. Nu appellant niet in Nederland woont of werkt zal hij, door de verschuiving van de aanvangsleeftijd, waardoor opgebouwde maanden zijn vervallen, niet worden gecompenseerd door diezelfde verschuiving, aan het einde van de opbouwperiode tot de pensioengerechtigde leeftijd.

Appellant stelt dat hij in een andere positie verkeert dan bijvoorbeeld de betrokkenen in de uitspraken van de Raad van 18 juli 2016, omdat in zijn geval nu al kan worden beoordeeld dat de verhoging en verschuiving tot een onevenredig zware last leidt. Appellant meent dat daardoor artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM geschonden wordt. Appellant stelt dat hij vanwege gezondheidsredenen zijn werkzaamheden in Frankrijk niet meer kon uitoefenen, zijn huis heeft moeten verkopen, naar Duitsland is verhuisd en met geleend geld in zijn onderhoud moet voorzien. Door de wetswijziging in de AOW zou appellant vanaf de pensioengerechtigde leeftijd en zo lang hij leeft 4% AOW-pensioen missen, wat gezien zijn financiële situatie een onevenredig zware last is. Hij stelt niet in aanmerking te komen voor de door de overheid getroffen compenserende maatregelen en niet in staat te zijn geld te reserveren. Appellant voelt zich als niet-ingezetene gediscrimineerd ten opzichte van ingezetene die hun verlies aan pensioenopbouw kunnen compenseren. Appellant stelt dan ook dat de pensioenopbouw voor de AOW berekend dient te worden vanaf zijn 15e verjaardag.

De Raad
De Raad verwijst naar haar uitspraken van 18 juli 2016 die in vergelijkbare zaken zijn gedaan. Daarin is geoordeeld dat een pensioenoverzicht slechts een besluit is waartegen in rechte kan worden opgekomen, voor zover het gaat om de rechtsvaststelling van de op dat moment verzekerde tijdvakken en de genoemde aanvangsleeftijd als begin van de opbouwperiode. De vermelding in het pensioenoverzicht van de toekomstige AOW-leeftijd is een mededeling van informatieve aard die niet gericht is op rechtsgevolg en daarom voor dat deel geen besluit is waartegen in rechte kan worden opgekomen.

Volgens de Raad dient de vraag of artikel 7a AOW en de verschuiving van de aanvangsleeftijd in strijd is met artikel 1 van het Eerste protocol en het verbod op discriminatie, ontkennerd te worden beantwoord. Hierbij is overwogen dat de opgebouwde tijdvakken van verzekering voor de AOW moeten worden aangemerkt als een eigendomsrecht als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol en dat door de inwerkingtreding van artikel 7a AOW, waardoor (eerder) opgebouwde verzekerde tijdvakken niet langer in aanmerking worden genomen voor de opbouw van AOW-pensioen, een inmenging heeft plaatsgevonden in dat eigendomsrecht.

De Raad verwijst naar haar eerdere uitspraak waarin is aangegeven dat deze inmenging in het eigendomsrecht in het algemeen proportioneel geacht wordt en in het algemeen niet leidt tot een schending van artikel 1 van het Eerste protocol. De toepassing van artikel 7a AOW kan in concrete gevallen tot een onevenredig zware last en daardoor tot schending van artikel 1 van het Eerste protocol leiden, maar dit kan echter pas worden bezien in het kader van de besluitvorming die betrekking heeft op de toekenning van een AOW-pensioen en de ingangsdatum van dat pensioen omdat op dat moment de hoogte van de eventuele schade kan worden vastgesteld.

Ook in het geval van appellant kan pas bij de toekenning van het AOW-pensioen worden beoordeeld of hij door de verschuiving van de aanvangsleeftijd en de ingangsdatum van zijn AOW-pensioen een onevenredige zware last moet dragen. De omstandigheden waarin appellant nu verkeert kunnen immers in de loop naar de pensioengerechtigde leeftijd nog wijzigen, bijvoorbeeld daar waar het gaat om de opbouw van het AOW-pensioen. Ook de financiële omstandigheden waarin appellant op zijn pensioengerechtigde leeftijd zal verkeren, staan nu nog niet vast. Zo heeft appellant ook in Frankrijk pensioen opgebouwd dat op enig moment tot uitkering komt.

Ook een beroep op het gelijkheidsbeginsel (artikel 14 EVRM) slaagt niet. Op grond van deze bepaling dienen gelijke gevallen gelijk behandeld te worden en ongelijke gevallen ongelijk naar hun mate van ongelijkheid. Volgens de Raad doet discriminatie op de grond dat ongelijke gevallen niet ongelijk worden behandeld naar de mate van hun ongelijkheid, zich slechts voor bij een overduidelijke onevenredigheid.

Hoewel bij appellant evenals bij een ingezetene in hetzelfde leeftijdscohort in gelijke mate een tijdvak van de pensioenopbouw aan de voorkant vervalt, wordt appellante ten opzichte van die ingezetene ongelijk behandeld, nu hij (verondersteld dat hij niet opnieuw verzekerd raakt door de AOW), de vervallen opgebouwde tijdvakken aan het einde van de pensioenopbouw niet kan compenseren. Van een overduidelijke onevenredigheid is echter geen sprake. De basisgedachte bij een volksverzekering als de AOW houdt immers in, dat de overheid van een land alleen sociale bescherming door middel van een verplichte verzekering biedt, aan personen die door ingezetenschap of het verrichten van bepaalde arbeid een voldoende band hebben met dat land. De solidariteit speelt hierbij een belangrijke rol. Hieraan kan niet afdoen de stelling van appellant dat de Nederlandse regelgever bij de invoering van verhoging van de AOW-leeftijd voor andere, voor appellant mogelijk minder nadelige, keuzes had kunnen maken. Het beroep van appellant slaagt dan ook niet. Centrale Raad van Beroep, 25 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4507

 

Over Maaike Theunis

Maaike Theunis is in 2011 arbeids- en sociaalrechtelijk afgestudeerd aan de Universiteit van Tilburg. Tijdens haar studie heeft ze extra verdiepende cursussen gevolgd in het kader van het tweejarig topklasprogramma van de Universiteit van Tilburg. Uiteraard heeft ze Pensioenrecht als keuzevak gedaan. Na 2 stages bij ‘algemene’ advocatenkantoren heeft ze bewust voor een niche kantoor gekozen. Sinds november 2012 is zij als juridisch medewerkster werkzaam bij Gommer & Partners en vanaf februari 2015 werkzaam als advocaat.

Bekijk alle artikelen op pensioenweblog van Maaike Theunis

Reageer op dit bericht

Uw e-mail adres wordt niet op de site getoond.